nae de wijse van den 51.Psalm. Syr.5.18.GHy kinderen die de roe ontwassen zijt, Wilt doch nu net, met, verstande wij[s]heyt leeren, Heb.10.24En neemt u waer, in de vreese des Heere[n] Dat ghy hier naer, met den Heere verblijd Rom.12.2En stelt u niet ghelijck de weerelt wijdt, Pro.24.1.Noch en wandelt oock niet op haren pade. 1.Ioan.5.19Sy is vol boosheyt, so ons Ioannes belijd Heb.12.15.Wiese bemint, versuymen Gods ghenad[e] 4.Esd.16.66.Wie Gods ghenade mist, hem naeckt [en] swaer versucht,
[Di]e sullen haer, hier naer, brengen tot schanden [Wa]nt dat oncruydt sal de Heere verbrandenmat.13.41. [En] elcken boom die niet en brengt goe vruchtMat.3.11 [Va]n joncx ghy dit wel ouerdencken meucht.Syr.6.18. En schickt u nae des Heeren woordt ghepresen, [W]el die des Heeren jock draecht in sijn jeuchtTren.3.27 [En] niet op en wast int Goddeloose wesen. Een kint dat Godt vreest, ghelijck onsSyr.16,3. Syrach uytleyt, [Is] beter dan, van, duysent Goddeloosen, [W]ant Godt en heeft gheen behagen tot denPsal.5.5. boosen, [M]aer wie Godt vreest, veel goet is hem bereyt,Syr.1.11. [W]eest onderdanich die u met bescheytSyr.3.6. [O]nderwijsen, met veel woorden vermanich, [E]n zijt oock neerstich in uwen arbeyt,Eph.4.28. [D]at men u seyt, en zijt niet wederspannich.1.Cor.4.12 Wederspannich, is zonde van afgoderije,1.reg.15.23 [G]hy moet u claer, daer, neerstelijck vanSyr.3.14. wachten, [V] Ouders raet, ooc nemmermeer verachtenPro.4.10. [D]ie u int goetdoen niet en zijn partije, [W]eest onderdanich en leert van herten blije,4.reg.2.23 [Q]uade fantasie, die moet ghy van u keeren [O]p dat ghy niet en gaet, ghelijck die [D]aer waren verscheurt al van de wilde Beyren. Wel twee en veertich kinderen also ick las4.reg.2.23 [V]an uyt die stadt van Bethel ghecomen,
En sy bespotten Elizeus den vromen, Om dat hy slechs calu van hoofde was, Maer Godt die heeftse ghestraft op tselue pas, Tob.1,5. ende 10.Twee wilde Beyren, namen haer daer dat leuen, Maer wie Godt vreest, ghelijck Tobias, Syr.1,27.Die werden eeuwelijck bevrijt van sneuen. 1.Reg.4,11In sneven quamen Elijs kinderen alle bee 1.Re.2,25.Om dat sy haren Vader niet en hoorden, Want sy en dachten niet vele op die woorden, Al wast dat hyse strafte met beschee, Om hare zonden quamen sy in groot wee, En wierden gedoodt, al van de Philistijnen Leuit.10,1Sulcke exempels vindt men int oude mee, 1.Re.2,10.Wie dat boos is, moeten als hoy verdwijnen Prou.29,1Wie dat de straffinghe hardtneckich van hem slaet, Pro.15,10Die sal t'verderuen, haestelijck ouervallen, Psalm.5.5Want Goddeloose behaghen niet met allen Sap.14,9.Den Heere, soo in den Psalm vijue staet, De boose schalcke, en ooc die sprekers quaet, Ps.94.20.T'samen met die leughenachtighe monden, En sullen niet woonen by den hoogen raet, Syr.19,1.Die haren naet, naeyen t'allen stonden. Syr.3,10.En veracht uwe Ouders niet als sy zijn grijs, Wilt haer in haer ghebreck comen te baten, Want sy en hebben u oock noyt verlaten, Maer opghevoedt met verstand en auijs, Doet desghelijcx oock, tot des Heeren prijs,
Soo doet ghy wijs, en oock nae Gods behaghen, Vwe zonden sullen smilten ghelijck ijs,Syr.3,16. Want goet doen en sult ghy nemmemeer beclaghen. Ghy kinders heb van den Heer een gebot,Ephes.6,1. Ghy sult uwe Ouders houden in waerden, Op dat ghy lange meucht leuen op der AerdenDeut.5,16 Dat is een vaste belofte van Godt, Maer wie de straffinge haet, dat is een sot, Waren sy wijs, sy souden haer verblijden, Die haer verminghen onder dat boose rot,Proy.15,5 Die sullen de straffinghe altijdt benijden. Prince vermaert, doet altijdt nae s'Heeren beuel, Wilt uwe Ouders recht en slecht beminnenRom.8.9. V wel bewaert, voor vleeschelijcke sinnen,Psa.34,10 Soo salt u hier en hier naer ghelucken wel:2.tim.2.22 En vreest den Heer met een vast opstel,Apoc.2,5. Die lusten fel, der jonckheyt wilt ontvliedenmat.16,27 Haestelijck sal den Heere comen snel,2.Cor.5,10 Dan sal elck loon na sijn wercken geschieden.Iere.17.10 Schickt u nae den tijdt. Rom.12.
Cookies on Poetry Cove