Nae de wijse: Niet meer alsoo. BRoeders deuijn, het plach te zijn, Apoc.17,2.Wy waren so droncken van Babels wij[n] Niet meer alsoo, Niet meer alsoo, Voortaen te leyden eenich termijn Sulck leuen snoo. 1.Pet.4,3.T'is al ghenoech, nae s'vleesch ghevoec[h] Ghetrocken, ghesleypt, der zonden ploech Niet meer alsoo, Niet, etc. Act.17,30.T'was groote ghenade, dat Godt verdroe[ch] Sulck leuen snoo. Tot ijdel spel, waren wy snel, Bedrieghen, en lieghen, behaeghde ons we[l,] Niet meer alsoo, Niet, etc. Eph.4,25.T'is al contrary van Gods bevel 1.Pet.2,1.Sulck leuen snoo. Vroech ende laet, deden wy quaet, Met suypen, en brassen, in ouerdaet, Niet meer alsoo, Niet, etc. Gal.5,20.Want ons soo diere verboden staet Sulck leuen snoo. Gal.5,20.Twist en ghekijf, was ons bedrijf, Maer op verbeurte van ziel en lijf, Niet meer alsoo, Niet, etc. Want t'is veel ergher dan korosijf Sulck leuen snoo.
[A]fgoderije, en hooueerdije [De]den wy naer ons fantasije,1.Pet.4,3 [Nie]t meer alsoo, Niet, etc. [Ma]ch ouer ons hebben heerschappijeRom.6,12 [Sul]ck leuen snoo. [D]en schoonen tijt, wierden wy quijt, [Me]t singhen, springhen, ijdel jolijt,Eph.4,17. [Nie]t meer alsoo, Niet, etc.1.Pet.4,3. [T'is] voor de ziele groot onprofijt1.Pet.2,11 [Sul]ck leuen snoo. [O]nse boosheyt, was seer planteyt, [Wy] waren verblent in dolen gheleyt, [Nie]t meer alsoo, Niet, etc. [Na]er dien dat het van Godt afscheytEph.4,14 [Sul]ck leuen snoo.Esai.54,2 [A]l worden wy, versproken vry,1.Pet.4,4. [Om] dat wy niet loopen als sy, [Nie]t meer alsoo, Niet, etc. [Wy] moghen veel lieuer segghen sy [Sul]ck leuen snoo. [E]n laet ons doch, niet als de Soch, [We]der int slijck gaen wentelen noch, [Nie]t meer alsoo, Niet, etc.Pro.26,11 [Gae]n leyden door t'sondich bedroch2.pet.2,22 [Sul]ck leuen snoo.Ecc.34,30 [O]orlof dan, t'zy Wijf oft Man,Hebr.3,13. [Ist] qualijck ghegaen, en doet voortaen [Nie]t meer alsoo, Niet, etc.2.Pet.4,5 [Wa]nt Godt die heeft eenen gruwel vanTit.1,16. [Sul]ck leuen snoo. Een is noodich.
Cookies on Poetry Cove