Nae de wijse: Ick hoorde in Sion een lieffelijcke stem. Apoc.17.2.O Ghy dochter Babel, moeder vol hoererijen, Hoe haest dat ghy u vruchten wederomme laet sien, Vol nijdt en strijdt, jae vol booshede, Wie met u niet en is, die en condt ghy niet ghelijen, Esai.59.8.Op uwe strate oft trede Rom.3.17.En is gheen vrede. O dochter van Zion, hoe stout dat ghy nu praet, Om dat ghy so lange tijt vrede hebt gehad[t] Ten sal u niet altoos ghelucken,
[Da]t oncruyt en hebbe ic in lange niet geuaetmat.13.27 [Wt] al mijn tarwe stucken [Sa]l ick't uyt plucken. [G]hedenckt, o Babel, dochter vol hooghen moet,Apoc.17.4 [Ho]e lange dat ghy hebt gelegen onder voet, [En] dorst nauwe u hooft uytsteken, [M]aer nu gaet ghi weder storten onschuldich bloet [V] sal veel machts ghebrekenEsa.59.7. [W]ilt ghy't soo wreken. Ten helpt u niet, o Zion, dat ghy soo vele seght, [I]ck hebbe soo menich Man die voor my vecht, [O]uerheeren recht, nae mijnen sinne, [D]ie my niet en houden ghelijck ghy doet so slecht, [M]aer als een Coninginne,Esai.47.8 [T]'mijnen ghewinne.Apoc.18.7 Zijt ghy, o dochter Babel, daerom also blije [Dat ]ghy weder oprechtet al u Afgoderije? [Dinc]kt u dat soo groot een eere,Rom.12.3. [End'] alle die Godt vreesen, die houdt ghyIere.2.24. voor partije,Sap.11.16 Ghy versmaedt de rechte leere Van mijnen Heere. De leeringhe die uwen Bruydegom heeftRom.1.18. gheleert, Die is tegen de mijne soo gantschelijck verkeert, Daerom wil ickse niet verdraghen,Apoc.6.4. En alsse yemant heymelijc by my vermeert Dien sal ick t'allen daghenApoc.19.2 Dooden, verjaghen.Apoc.6.20
O ghy dochter Babel, hoe condt ghy zijn soo bot, Dat ghy u durft stellen teghen so groot een Godt, Apoc.1.5.Hy is een hoogh Coninck verheuen, Esai.45.5.Sijnen heylighen naem is Heere Zebaoth, Syr.16.18Hemel end' Aerde beneuen Psal.18.9.Moet voor hem beuen. mat.10.32Ghy prijst wel seer uwen Bruydegom: vailjant, Luc.12.8.Maer hoe veel heefter hy getrocken uyt mijn handt? Apoc.3.5.Van al die ick hebbe ghecreghen 4.esd.15.8.Ick hebse onthooft, versmoort, en oock ghebrandt, Die my in aller weghen Yet stonden teghen. Dies meer en sal, maer naken uwen val, Apoc.18.8. ende 19.20Want onsen Godt is sterck, die u oordeelen sal, En werpen int eeuwich verderven, 4.esd.7.12.Al zijn onse ingangen hier ter weerelt smal, Wy sullen naer ons steruen mat.19.28T'wijde beeruen. Ick sal u, o Zion, noch wel doen swijgen ras, Esai.47.8.Waert dat ic alle dinck weder hadde op sijn pas, Rom.3.15Ghy sult mijn handen niet ontloopen, Ic sal ooc erger zijn, dan dat ic noyt en was, Esai.59.5.End' u met grooten hoopen 4.Esd.5.1.Noch doen becoopen. Het is wel gelijc, dat ons Dauid beschrijft So lange als den stouten hoochmoet bedrijft Sullen de ellendighe lijden,
[Ma]er hy moet te gronde, die teghen Godt kijft,Esai.45.9. [Du]s wilt u daer af mijden,1.Reg.2.10 [Va]n teghen-strijden. [S]wijcht, o ghy Zion, van verstande seer cleen, [M]eent ghy dat ick u loonen sal, ick segghe neen,2.Cor.1.27 [Sw]ijght, oft u sal veel drucx ontmoeten, [Oc]h oft ick u noch sage verscheuren van een 2.Esd.5.1. ende 15.6. [Da]n soud' ick t'mijn versoeten, [M]ijnen lust boetenIoan.16.2 [V]erstooringe en verderuen, dat is op uwen padt,Rom.3.16 [W]aert dat ghy't maer slechts na uwen wille en hadt, [D]en wolf sou volgen sijn natuere,joan.10.12 [V]an dat onnoosel bloet en zijt ghy nemmermeer sadt, [Al] Christus Schapen pueren [S]oudt ghy verschueren, Al de gantsche Weerelt houdt u voor ketterije,Act.24.14.ende 28.22 [D]aerom soo moet ick verstroyen alle die [M]ijne leeringhe hier versmaden,Apoc.18.6. [I]st dat ick dat oncruydt niet uyt en wie,Ioan.16.2 [S]oo salt al wel versadenEsai.5.20. [A]l van den quaden. Princelijck Godt, groot machtich van ghewelt,Apoc.1.5. [H]elpt my deur genade altijt behouden t'velt2.Cor.2.16 [T]eghen Babel hooghe vermeten, [A]l ist datse my met onrecht seere quelt,4.Es.15.8. [D]oor haer valsche Propheten, [H]ooghe gheseten.Apo.19.20 Schickt u nae den tijdt. Rom.12.
Cookies on Poetry Cove