Psal. 116.
Proselytus, Salomon. P. WIe sal ons nu met singen doen gerijf, Terwijlen wy hier onse kudde waken By Bethlehem de Stad die wy ghenaken, En zijn ontrent met al ons Vee bedrijf. S. Tot Bethlehem vergaerd is man en wijf Iae alle man uyt David huys bedeghen, Om daer gheschat zijn van Augusto weghen, De weereld door ghegaen is zijn ghebod P. D'herbergen al elck huys ja stal en kot, Nu crielen vol niet isser ledigh bleven, Elc in zijn stadt moet schatting comen geven Sijnde onderdaen t'Roomsch Keysers groot gheweld. S. Nu Proselijt met my u keele steld, Te singen wat ick sal beginnen vooren Elc hoor met vlijt want waer lust is om hooren, Daer voeghd wel yet ghesonghen of verteld.
Salomon singt aen hem volgt Proselytus op de wijse vanden Psalm 23.
ABraham vroom Isaack en Iacob t'same Van Gods beloft versekerde erfghename In een vreemd land in hutten slecht woonachtig Een beter stad en Vader-land verwachtigh, In Hemel hoog: op Eerden wel te vreden, Te wesen vremd en gasten hun beleden. P. Sy Gaende met verganckelijcke voeten Op Eerden dus t'gemoed dat nam versoeten Den Heer ontrent te wandelen hier boven. Ten lesten word in slaverny verschoven, T'volck Israels in Egypten gedreven, Om vinden brood den steun-stoc van dit leven. S. Nijd t'wreede dier, dreef Ioseph daer te vooren, Act.7.10.Die zijnd' een Vorst seven goe jaren t'cooren Hadde al vergaerd, in schuyren als den cloecken T'brood-huys was in Egypten doen te soecken De dierte groot was swaer in alle landen, Al t'geld voor brood geraecte in Ioseph handen. P. Oock t'Vee en land werd Pharao al ten besten Lijf eygenschap van al het volck ten lesten. gen.50.19D'eerds-vaders doch die dachten quade saken, Met Ioseph doen: maer God dacht wel te maken, Gelijc altijds, op dat veel volcken zouden Voor s'hongers nood met voedsel zijn behouden. S. Een Coningh die van Ioseph niet en wiste, Socht ons geslacht te niet en doen met liste, Met arbeyd swaer in dienstbarig benauwen, Gebood Siphra en Pua twee vroe-vrauwen, Wat manlijck was in der geboort t'onlyven, Sy hetent na en God deed' hen beclijven. P. Pharao ghebood zijn volck dat sy versmoorden, Den sonen jong, och wat Tyrannig moorden, Wat waren daer doe al mistrooste moeders, O wreed gebod d'onnoosel jonge bloeders, Al in s'Nijlsvloed geworpen t'hebben willen,
Een deerlijck aes, voor gulse Krokodillen. S. Wt Levi stam werd doe een soon geboren Die namaels een verlosser werd vercoren, Zijn moeder hem niet langher berghen wiste En wierp hem wegh in een bepeckte kiste, Van riet ghemaeckt, uyt t'water hy getogen, Heeft moeder-soch uyt voesters borst gesogen. P. Want siet hem vand' de Dochter van den Coningh Sy nam hem voor haer soon aen in haer woningh, Hy zijnde groot dood' een Egypter welcken, Sloeg een Hebreer, t'geruchte liep voor elcken, Tot Pharao oock, en die socht hem te dooden, Hy is bevreest tot Midian ghevloden. S. Daer werd zijn sweer Iethro, daer hy de wachte, Der Schapen nam, ter wijlen ons geslachte, Aenriep den Heer benauwt in swaer arbeyden God goedertier gedacht als sy dus schreyden, Aen zijn verbond, daer Mosis t'Vee bewaerde Stracks in der vlam hem d'Engel openbaerde. P. Daer sagh hy t'bosch in brande en met verteeren, God sprac hem aen en seyd' hem zijn begeeren Hoe hy ons volck wilde onder zijn gheleyde, Verlossen: maer siet wat hem Mosis seyde, Na meer onschuld en socht het van hem wenden, Och seynd mijn Heer den welcken ghy wilt senden, S. O Heer o God de comst onses behoeders Gheschieden laet, en wilt uyt onse broeders, Moysem gelijc den Propheet ons verweckendeu.18.15 Dien yeghelijck moet hooren, dat hy treckenActo.7.37 Com uyt verdriet die in doods schadu sitten, Verschijnd o licht ons met liefdigher hitten, P. Comt dagheraed o schoon blinckenden Oosten, Opgang verschijnd comt uyt der hoogde ons Troosten,Luc.1.37. De duysterheyd comt heldigh overwinnen, Dagh sterre claer verwect ons hert en sinnen,
Met Moysem oock wy sulcken wensch voor weynden, Och seynd mijn Heer den welcken ghy wilt seynden.
Cookies on Poetry Cove