nae de wijse, des 119. Psalms
Adon.
HOe gingh dit Lied weet niemand zijn begin,
Dat Iethro sang daer hem twee kleene knechten,
Zijn Neven jong, Saul en Benjamin,
Toe dwongen vaste en dat met goede rechten,
Hy had belooft: de wijse en oock den sin,
Valt my daer in, ten was niet van den slechten.
Can ick ons dat rechte singen op sijn maet,
So acht ick my en mijn toehoorders saligh,
Dat yemand doch mijn Schaepkens gade slaet,
Op datse niet twijlen verstroyen dwaligh,
En missick yet, van niemand wil ick smaet,
Want int gemeen zijn alle menschen saligh.
T'ghedenckt my wel doe hy dit sangh hy sat,
Hier by de spits die Iacob dede bauwen,
Op Rachels graf hier t'Ephrata de Stad,
Daer moeder zy en lijck werd in benauwen
Doe Benjamin het eerdsche schoon licht-vat,
Quam sien, en sy ophiel dat meer t'aenschauwen.
Nu Herders my (al sittend') hier omringt,
En wilt mijn stem met stem te hulpe comen,
Want sang met sang eendrachtig ondermengt
Wort van t'ghehoor veel liever aengenomen,
De bloodicheyd queld die alleene singt,
T'gheselschap doet 'tghemoed oock min verschromen.