weder op de wijse 57.Psal.
H. TE vooren wel sag, David wonderbaer,
Hoe Israel te Babel, zonde swaer
Psa.137.1Ghevangen zijnde, onlustigh zijn om singen,
Int vremde land, aen Babels waters daer,
De Herpen sy, aen wilghe boomen hinghen.
L. Den Heere heeft seer heerlijc oock altoos
Ghehandeld met de stad, die hy verkoos,
Bewijsend' hem rechtveerdich, oock genadich
Vermaende, en straft' haer alsse was te boos,
2.par.36.21.Hy sloeg', en heeld' haer wederom weldadich.
S. Ierusalem tien-seven Iaren lagh
Ier.25.12Vernederd, woest, den Heer als-doe aensach
Dan.9.25Zijn woord, en ging den geest van Cyrus wecken
1.Esd.1.1Die over al zijn rijck, met goed verdrach,
Gedood ons volck, al vry na huys te trecken.
1.Es.3.10H. Doe word van nieuws, des Tempels grond gheleyd,
De Ieugd sang blijde, en 'twijlen heeft geschreyd
Den ouderdom, ja die voor henen saghen,
T'voorleden werck, van meerder heerlijcheyt,
D'een riep met vreugd en d'and' droef met clagen.
L. T'welck werd voldaen, na veel en swaer belet,
2.Esd.9.3Viermael des daegs, men las in boec der Wet
Viermael des daeghs, werd Godt den Heer
aenbeden2.es.13.23
Ia mannen oock met strafte, om dat zy met
De vremde wijfs, vuyl buyten trauwe deden.2.Es.6.15
S. Nu was dat huys des Heeren al volsticht
En al de stad beringht, met mueren dicht,
Die daer so lag vertreden onder voeten,
Doe Gods Propheet haer heeft, met droef gesicht
Beweend, waer van t'vervolg wy singen moeten.