Skip to content
1613

Bethlehem dat is het broodhuys

Karel Mander

op de wijse: des 119.Psalms. Achitob' Adon, Raguel. A. O Adon vriend, en ghy oock Raguel, Wat soeter troost, en tydinge om verblijden Is ons geschied, en waer bevonden wel Van Christi comst: wie zoud' hem doch vermyden? Te singen lof, den God van Israel, Die ons zijn volck besoeckt, als nu ten tyden. Ad. O Achitob, wat liever kind hoe soet, Daer in een kribbe, in doecken lag gewonden? Door t'schoon aensien, mijn herte en mijn gemoed, In zachte vreughd was Troost'lijck gantsch verslonden. Och nieuwen tijd, genadig' eeuwe ick groet, V menigfoud, meer als ick can vermonden. R. O Hemels ghy juygt eerde weest verheugd Ghy bergen looft met juychen, God den Heere, Want siet de Heer' heeft, nu tot volle vreugd,esa.49.13. Zijn volc vertroost, hem heeft gejammert seere Ons swaer ellende, en heeft des suyver jeugd, Gesonden hier, dat elck tot hem bekeere. A. Ghy Bethlehem, o Ephrata vermaerd, Micheas woord is waer in u gebleken, In Iuda ghy die tegens duysend waerd,Mich.5.1 Wel kleene: maer men sal van u nu spreken, In u is voord gecomen ons gebaerd, Israels Heer', het eeuwigh licht ontsteken. Ad. Van aenbegin siet is doch zijn uytgang En is geweest van eeuwigheyd te vooren, Hier van zy God lof prijs, en eeuwigh danck, Die opgerecht heeft s'heyls verheven hooren, In Davids huys, alsoo hy overlang, Heeft toegheseyd, om s'vyands macht verstooren. R. Nu sal den val van Adam zijn geheeld, En t'slangen hooft, te morselinge wesen: Gevangenis hoe sterck oock gecasteeld, Gebroken werd, t'vry Iaer comt opgeresen, Het schepsel sal niet blijven afgedeeld,

Van sijnen God, en Schepper meer na desen. A. Lof onsen Christ, ons nu verschenen hy, T'licht teecken claer des dolendens berader. In eenen geest, door hem verwachten wy, Ten Hemel hoog, tot zijn Almachtig Vader, Een open deur, en eenen toegang vry, Eph.1.12Die verre zijn, die sal hy roepen nader. Ad. Die nu zijn vreemd, in Gods beloften al, Eph.2.12Die sullen zijn, Gods lieve huysgenooten, T'lam Herder werd, en deur van t'schapen-stal Ia t'Lam den wolf verlossen uyt den pooten, Verwinninge cloeck den roof der Schapen sal, En brengen t'saem, dat dwalig is verstooten. R. T'Lam Herder sal t'gequetste heelen, naer Eze.34.12T'verlooren om te soecken neerstigh draven. Wat vet en sterck is wel bewaren, waer Hy nemen sal, dat swack is om begaven, esa.40.11.Hy werd de spijs' ja weyd' en borne claer, ioan.10.11Die t'kudde self wel voeden sal, en laven. A. Hy is het Lam, t'Lam Gods is hy het welck, ioan.1.29Daer nemen weg, sal al des weerelds zonden, Zijn woord sal zijn, soet ongevalschte melck, Voor lammers teer, een voedsel nut bevonden, Nu laet ons noch, by buerten singen elck, En sijnen lof, met nieuwen sangh oorconden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Bethlehem dat is het broodhuys · Karel Mander · Poetry Cove