2
Doch het schoon 't geen 't Godendom
Gaf aan jonge herderinnen,
Die de jonge knaapen minnen,
Eens vergaan, keert nooit weerom.
Frische jeugd, en schoon vergaat;
Elpen voorhoofd, blonde haaren
Zwichten eind'lyk voor de jaaren,
En dan is 't berouw te laat.