3
Hoe lange zal dit God gedoogen,
riep Maerlant eens in twijfel uit,
dat door der kwaden alvermogen
het edelst poogen werdt gestuit?
Of is deze aerde, zoo vol rampen,
een perk, waar, als een vechtershoop,
het menschdom ondereen moet kampen
door aller eewen loop?
En is de Almagtige in den Hoogen
een Caesar, vreemd aan onze klagt,
die, roerloos, zonder mededoogen,
dat gladiatorspel betracht;
bij 't woedend op - elkander - horten,
zijne oogen laaft in 't stroomend bloed, -
en niet wil zien hoe moeders storten
een' bittren tranenvloed?