III.
Ja, wij zijn jong: en in ons jonge hoofden
gloort nog de hooge Plicht gerust,
gelijk een zon, wier kleuren niet verdoofden,
een duizendkantig prisma kust;
en ieder van de goud-beglanste stralen
die 't glinstrend prisma wederkaatst,
wordt ons een veld waar wondre vruchten pralen,
waarop de geest met wellust aast.
Die stralen heeten Vaderland, Geweten,
Recht, Vrijheid, Waarheid, Rede, Deugd,
en Liefde, al wat door u wordt weggesmeten,
en 't Wijnglas dat gij ook wel meugt.
Ja, al die ijslijkheden zijn ons heilig,
heel dat verfoeilijk heidendom
is in ons hart, als in een' tempel, veilig
voor vloek en schreeuwen van rondom.
Mijnheeren! die daarover vindt te klagen, -
ons inzicht is zoo voort te gaan,
en mocht het, op ons bede, God behagen
ons op die bane bij te staan,
al wordt door u in duizend dichte webben
de menschelijke geest gekneld,
wij hebben Wil, en zullen Krachten hebben,
om heen te gaan waar 't harte snelt.