Skip to content
1868

Uit het studentenleven en andere gedichten

Julius Vuylsteke

2.

Wanneer zij mij bekeek, dan wist ik niet wat ik gevoelde, het was alsof een huivering door gansch mijn wezen woelde.

Mijn vol gemoed, waar 't blij gezang alreeds zijn juichtoon plengde, verstomde, en smolt in mijmring, waar zich vrees en eerbied mengde.

Hoe mij die blik, zoo plechtig kalm, elektrisch door elk lid ging! Het lied der blijdschap zweeg, en 'k zonk in goddelijke aanbidding.

En in het hart, dat bevend sloeg en van vervoering trilde, ontlook een stem, die stil en vroom een hymne staamren wilde, - gelijk de zwervende Arabier, als 't licht de kim doet gloeien, voor 't Morgenrood in 't zand zich buigt, en 't stil gebed laat vloeien.

Wanneer zij mij bekeek, dan wist ik niet wat ik gevoelde, het was alsof een huivering door gansch mijn wezen woelde.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.