2.
Wanneer zij mij bekeek, dan wist
ik niet wat ik gevoelde,
het was alsof een huivering
door gansch mijn wezen woelde.
Mijn vol gemoed, waar 't blij gezang
alreeds zijn juichtoon plengde,
verstomde, en smolt in mijmring, waar
zich vrees en eerbied mengde.
Hoe mij die blik, zoo plechtig kalm,
elektrisch door elk lid ging!
Het lied der blijdschap zweeg, en 'k zonk
in goddelijke aanbidding.
En in het hart, dat bevend sloeg
en van vervoering trilde,
ontlook een stem, die stil en vroom
een hymne staamren wilde, -
gelijk de zwervende Arabier,
als 't licht de kim doet gloeien,
voor 't Morgenrood in 't zand zich buigt,
en 't stil gebed laat vloeien.
Wanneer zij mij bekeek, dan wist
ik niet wat ik gevoelde,
het was alsof een huivering
door gansch mijn wezen woelde.