Keerzijde.
Doch, wie bemint wijn, wijf en gezang,
die blijft student zijn leven lang.
Zoo dacht ik op een' droeven morgen;
en 'k hield in beide handen verborgen
mijn hoofd dat zoo vol was van liefde en zang
en van den verkwikkenden nektardrank,
dat ('k schat dier dingen gewicht niet te hoog)
het wel driemaal meer dan in norma woog.
En 'k dacht: wat is nu toch best op 't end,
advokaat en dwaas zijn, of eeuwig student?
Ik hield mij bij de eerste wijze van zien
en viel aan 't blokken een' dag of tien.
Ach! 'k voelde mij in domheid verzinken
en smachtte naar kussen en zingen en drinken.
Maar ‘halt!’ sprak 't examen, ‘gij zijt mijn slaaf:
een tijd voor alles! gedraag u nu braaf.
Voortaan moet zij platonisch blijven,
uw liefde voor wijn, gezang en wijven...’
En, lijk voor Belsazars oog voorheen
het mane-thekel-phares verscheen,
zoo spookte mij immer voor het brein
't bedreigend, tergend wreed refrein:
‘dat wie bemint wijn, wijf en gezang,
die blijft student zijn leven lang...’