II.
Abdij! Waarom hebt ge ook die oude kwalen die nestelden in uwen schoot, niet met den val der sterkgewelfde zalen begraven in denzelfden dood? Waarom moet immer nog 't bebloed vooroordeel zijn scepter zwaaien over de aard? Waarom heeft 't ijzren bijgeloof zijn voordeel op licht en waarheid nog bewaard? Mirakel, aflaat, bedevaart en vasten, en boetekaars en offerblok, waarom vult gij nog immer 's priesters kasten?
En waarom is de priesterrok nog steeds gelijk eene oorlogswapenrusting, waaronder valschheid, list, bedrog, door alle stormen van elke eeuw gerust ging als hooger macht? Waarom stelt nog het zwarte spook zijn grafontdolven wetten, en knellen zijne ketens hard, terwijl 't een' voet op 's menschen hoofd durft zetten en d'andren voet op 't menschlijk hart? Waarom zijn al die lieden nog in leven wier brein niet tot aan God geraakt, die God niet, maar den priester wierook geven, en aan de poppen die hij maakt? Waarom zijn ze immer nog in eer, die mannen die voor het glorend Liefderijk van Kristus, 't doek der duisternissen spannen, gelijk een doodkleed op een lijk? En dan, hun leven is van nacht omhangen, - en als 't geheim soms opengaat, dan wordt heel de omtrek door den reuk bevangen van eene ontzaglijke euveldaad!... Ik vraag 't aan u, Abdij! verstrooide steenen! waarom onze eeuw, op licht zoo trotsch, nog steeds die keten voortsleept aan haar schenen? of is ook 't kwaad een wet des lots?
Cookies on Poetry Cove