I.
Zoodus, - de heer Minister kwam 't ook zeggen, - het kwaad is dat men 't jong gebroed die groote kwestiën durft openleggen waaraan het nog niet denken moet. Zoodus, omdat wij onze jonge vlerke niet rusten lieten als wat lood;
omdat wij weten dat de heil'ge kerke gelijk een beul weleer gebood; omdat wij weten dat zij drukte en nóg drukt op 't menschdom, en dat onze hand het masker van 't gelaat van 't zwart bedrog rukt, dat heerscht op 't arme vaderland; omdat wij met die grove poetsen spotten waarvan de heil'ge winkel leeft, mirakels, aflaat, offerande, - en zotten voor wie dat spel nog waarde heeft; omdat wij al die fabels niet gelooven waarmeê ge op 't dwaas gemeen gebiedt, en ge onzen geest of wil niet kunt verdooven met duisternissen die gij giet; omdat wij Flip den Tweede een ondier noemen, niet beven voor het Vatikaan, en dat wij iedren dwingeland verdoemen en elke huichlarij verstaan; omdat we Oranje en Aldegond' vereeren, en hoog verheffen in ons ziel alwie het goede wreken dorst of leeren, al wie, vermoord, voor 't goede viel; omdat wij willen dat de mensch geen ding zij waar uwe hand zoo goed meê kaatst, en dat het leven geen gesloten ring zij
waarin gij 't volk gevangen plaatst; omdat wij Rede en Recht en Waarheid minnen, door mannen aan die taak gewend, en dat ons brein reeds de verborgen zinnen van godsdienst en geschiednis kent: - daarom zijn wij een pest, die u doet vreezen voor 't lot der maatschappij!?... - Welnu! 't zij zoo, wij zullen 't dreigend onweêr wezen, wij zijn gevaarlijk - maar voor U!
Cookies on Poetry Cove