V.
Op eens, wat wildernissespreidt voor den blik zich open,
bezaaid met dorre beendrenrond puin- en vuilnishoopen!
O God! is dit ons Vlaandren?O God! heeft dan uw hand
zich afgewend voor eeuwigvan 't Vlaamsche vaderland?
Wie is 't, die de eerezuilen,door ons gebouwd, vernielde!
Wie, die dat volk, zoo krachtigvan geest en ziel, ontzielde
Wie, die 't gedoode lichaamafknaagde tot op 't been?
Noemt ons dien beul, en noemt onsdie nijdige hyeen!
En hoort! de diepten slakeneen stemme: ‘Dat bestonden
de vijanden van Vlaandrenin 't oud verbond verbonden:
de vreemdeling, de leeljaartvoor eigen glorie doof,
en 't zielverstompend dweepen,en 't vretend bijgeloof.’
Zelfs Waterloo slaakt vruchtloosde banden en de schanden:
de vijanden van Vlaandrenslaan weêr ineen de handen;
en achttien honderd dertig,gestookt door paap en Waal,
spreekt grijnzend d'eeuw'gen doodsvloekop ons en onze taal!