II.
Er is op eens verandering gekomen,
zoodat geheel uw koelheid was verdreven;
gij hebt mij toegeknikt, mijn hand genomen,
en zelfs een' kus heeft mij uw mond gegeven.
En meer en meer: 'k verzonk in wellustdroomen:
daar heeft uw hand den sluier opgeheven
uws harten, en ik keek, niet zonder schroomen, -
en 'k zag daar 't woord; ‘'k bemin u,’ neêrgeschreven!
En als mijn blik uw aanzicht thans ontmoet,
zie, 'k voel dan mijne vreugde telkens vluchten,
en vol van weemoed zoude ik bijna zuchten,
en meenge twijfel rijst in mijn gemoed,
en 'k vraag, en 't antwoord durf ik niet verstrekken,
of wel uw hart zoo schoon is als uw trekken?