IV. Later.
En nu, 'k treur niet omdat gij weêr uwe oogen
met koelen hoogmoed aan mijn' blik onttrekt,
omdat de droom van heil, door u verwekt,
op uwen adem weêr is heengevlogen.
En 'k woed ook niet omdat ik werd bedrogen,
omdat ik u tot speeltuig heb verstrekt;
neen, neen, de wolk die mijn gelaat bedekt,
is smart en toorn omdat gij hebt gelogen.
Omdat ook gij, zoo schoon, zoo glansend schoon,
gij, die op aarde in englenvormen wandelt,
zoo wuft en valsch als de andre hebt gehandeld;
omdat ook weêr bij u mij lag ten toon
dat rampenvol verbond van 't laagste en 't grootste,
van 't heiligst en het vuigst, van 't eêlste en 't snoodste.