VI.
Doch neen!... - Verdorde beendren,groeit weêr aaneen tot mannen!
Dat pees en spier zich wederom uwe knoken spannen!
en 't vleesch zich om u ronde!En gij, o Geest van God,
blaas gij in deze dooden, en: Leeft! zij uw gebod!
Zoo roepen we, als de ZienerEzechiël, XXXVII.tot Israël voorhenen.
En, wonder! ziet ze rijzen, -tot mannen zich hereenen, -
een levend volk weêr wordenin al zijn jeugdgenot,
en in wiens binnenst vonkeltde heil'ge geest van God!
Van God die in het harteder volkren heeft gedreven
den drang van 't recht en de eere,den drift om vrij te leven;
van God, die, sluwen volksmoordof ruw geweld tot straf,
den toorn der vrije Rede,- desnoods het ijzer - gaf!