III.
'k Bemin u, ach, gij wist niet dat dit woord
als lava in des jonglings harte vloeit,
dat zijne vlam door ziel en zinnen gloeit
en in het brein als zonneglansen gloort.
Gij wist niet dat, wanneer een man dat hoort,
in zijne horst een nieuwe lente bloeit;
gij zaagt niet in dat woord den eed die boeit,
den band die bindt meer dan de sterkste koord.
Helaas, ik heb het schoone woord geloofd.
Wel moest mijn harte strijden met mijn hoofd; -
mijn hoofd was ongeloovig lijk altijd; -
doch, woest-vertrouwend sprong het hart omhoog,
gezonde rede en wijs verstand vervloog,
en 't harte, 't blinde harte won den strijd...