V.
Op u de schande! op u de straf! o Priester, wiens heerschzucht daartoe de oorzaak gaf! Op u, die ze vergaârde, hitste, en bliest er den bloeddorst in, - op u de straf! Gij, Paal, wiens voeten 't laffe menschdom stelden het ‘verder niet!’, 't stilstandsbevel, en wiens vooruitgestokene armen meldden: Ginds is de hemel, dáár de hel; gij zijt geen Paal, neen! die aan de aard haar grenzen en 't pad naar 't ander leven leert: gij zijt een Galg, waar, aan bebloede trenzen, de lijken zwieren, nooit verteerd, van alles wat voorheen omhoog zich richtte, van al wat edel was en vrij... Reeds plooide uw rottige oudheid van 't gewichte en schudd'e bij den wind des tijds; maar nu, Goddank! verhaast ge uw nadrend einde!
Met nieuwe lijken weêr bezwaard, zie 'k uwen val, dien 't recht reeds lange seinde, de vrijheid oopnen voor heel de aard. Itaaljes hoop, den heldenmoed der vromen, den volkswil, 't hart der eeuw dat klopt voor liefde en licht, en 't grootsch ontwakend Roomen, hebt gij bij de andere opgestropt. O Galg! zooveel kunt gij niet langer dragen, uw molmend hout schiet hier te kort; de stonde naakt, geteld zijn uwe dagen, dat gij in gruis omverre stort!
Cookies on Poetry Cove