XIV.
En dag voor dag, met honigzoete stem, Kwam Vredecus en zedepreekte hem. Hij zegde hoe al 't goede komt van boven, Hoe zeer het past de needrigheid te loven, Hoe zwak de mensch, hoe nietig hij toch is, Hoe hij het hoofd ter aarde hoeft te buigen, Hoe stem en gang, hoe alles moet getuigen Dat hij niet dringt in Gods geheimenis. Den hoogmoed noemde hij de bron der plagen, Waarmeê het zondig menschdom wordt geslagen, Sinds elke zoon meer dan zijn vader wil; Sinds de armen 't hoofd verheffen, en de knechten, Naast hunne meesters, mompelen van rechten; Sinds voor de vrijheid iedereen durft vechten,
En niemand meer deemoedig lijdt en stil. 't Was bovenal hem eene bron van smerte Te zien hoe thans zoo menig man niet meer Komt knielen vóór de dienaars van den Heer, Biechtsprekend met een halfgebroken herte. ‘Eilaas! riep hij, hoe velen zijn er doof Wanneer de Kerk hen oproept voor 't geloof!’ En dan, gewagend uit de vorige eeuwen, Sprak hij met vuur van de onverschrokken' leeuwen, De ridders, die heentogen, op de stem Eens moniks, naar 't verdrukt Jerusalem. Dan was de Paus het hoofd der christenlanden, En de adel was als de armen en de handen. Toen zuchtte hij: ‘Die tijd is verre, o Frits! Doch de eeuwigheid heeft God alleen tot gids. Wie weet, mijn zoon, wat gij nog zult beleven? Blijft trouw met ons naar 't zelfde doelwit streven, Zoo worde uw naam, door duizenden benijd, Van kroost tot kroost, bij ons gebenedijd!’
Eilaas! 't gevolg van zulk een zedepreken Was dat de knaap niet durfde tegenspreken, En dat hij zelfs zijne oogen nedersloeg, Als hem de pater vriendlijk tegenloeg.
Dus immer schuchter, vlottend in gepeinzen Nooit uitgestort, wie zou niet leeren veinzen?
Cookies on Poetry Cove