IV.
Terwijl dus Willem sprak, en hun gezicht
Naar de open' deur des huiskens was gericht,
Kwam de oude Blinde er uit met eene vedel,
En trad, schoorvoetend achter eenen hond,
Dicht langs de huizen, met gebogen schedel,
Somtijds onrustig tastend in het rond.
‘Hij is 't, zeî Willem, die haar jeugdig leven
Met vaderliefde en zorgen blijft omgeven.
Ter nauwernood kan hij nog door de straat
Voortstromplen; - hoe hij wankelt waar hij gaat!
De vrees dat zij zou dolen in ellende,
Houdt hem te been en rekt zijn levensende....’
‘Vertelt mij toch, vroeg Hugo, wat gij weet:
Die vondelinge gaat mij aan het herte.
Zij bleef dus rein in de armoede en de smerte,
Stond tegen God niet op om wat zij leed?
Zij bleef een lam als haar het onrecht tartte?...’
‘Zoo neemt dien stoel, sprak Willem, en schuift bij.
Al wat ik weet, zeî mijne moeder mij.’