IX.
Slechts één miljoen, armzalige student! -
Zoo grijnsde Hugo in 't aaloude Gent, -
Slechts één miljoen, en de eeuwen zouden spreken
Van u, want stafs en tronen zoudt gij breken!
De mijters zoudt gij morzlen in uw' vuist,
Op 't puin der templen door het volk vergruisd,
En, als een God gekleed in werkmanslompen,
De sterkste kroon platstampen met uw' klompen!
Uw vader droomt des Hoves gunst voor u,
En uwe moeder die der Kerk.... Welnu!
Hof, Kerk, met heel den sleep der volksverraderen,
Moge ik eens zien als mulgetrapte bladeren,
Opdat de wind als mest ze nederstort'
Op 't land, dat door hen uitgezogen wordt.
Dan zullen wij alom gelijkheid zaaien,
En eeuwig weelde en broederliefde maaien.
Nieuw licht, nieuw heil in ieders hoofd en borst
Make elken mensch tot hoogprelaat en vorst.
Als één gezang rijz' de algemeene zegen,
Gansch 't wereldrond, de nageslachten tegen;
En ik zal fier -
ach! droomer, droomer, licht
Wordt gij om brood tot schurkerij verplicht!’ -
Hij sloeg zich tegen 't hoofd en knarsetandde:
‘Arme advokaat, bereidt u tot de schande!’