VIII.
En kermis was 't: - met bleinen op de voeten, Vol hesp en bier, van 't zwerven afgemat, Nog wijd van huis, schoon lang na middag, zat Hij aan een' kroeg zijn zwieren duur te boeten. Wat hij nu stof tot overdenken had! ‘Sul!’ gromde hij, 'k trakteerde zooveel boeren, En nu, niet één om mij naar huis te voeren!’ Er kwam een slach van paerdenkoopman aan,
Die met een ros ter jaarmerkt scheen te gaan, Een ros veel te oud tot trekken of tot loopen, Dat nauwlijks docht om 't vel er af te stroopen. 't Was zonder toom, maar had aan zijnen hals Een kempen zeel dat Jachem toegaf, als Een kenner trek had om het beest te koopen. Dat was de kans, dacht Willem, en hij bood Tien francs er voor aan Joachim den jood, Al wat hij had, behalve wat in nickel. De jood sloeg toe, gansch blij door onzen gast Zoo goed en gauw van 't beest te zijn ontlast, En voor den nickel haalde moeder Schrikkel Hooi van den schelf en brood uit hare kast. ‘Zoon Abraham's, ik woû van u wel hooren Wat verder brengt, zoo'n roggebrood of sporen?’ Dus pratend, gaf hij Mie haar brood en hooi, En, zonder roskam, wreef hij ze met strooi. Dan - op! en weg.... ‘Hij rijdt als Sinte Marten! Riep onze jood: ja, slechts nog eene mand, En 't is of hij met lekker rijdt door 't land. Nou, 'k heb zijn geld en lach met zijne parten!’ Hem reed een' koets voorbij, met Frits' boelin, Bianca, als vrouw Venus zelve, er in.
Zij zag hem aan, hem na met een verlangen Dat plots een' kleur joeg over hare wangen. Maar 't ros ging goed en draafde soms, zoodat Hij op een uur kon komen aan de stad. Op eens - hij kon zijne oogen niet gelooven - Werd vlak vóór hem een slagboom toegeschoven. ‘Barreelgeld!’ zegde een' dikke meid, en stak Reeds half gestoord de hand uit als zij sprak. ‘Drie cents en half, hernam de dikke deerne; Spoedt u, mijnheer, ik sammel zoo niet geerne.’ Maar Willem zag ze wild en vragend aan, Als hadde hij geen enkel woord verstaan. ‘Wat? riep hij dan, ik hebbe daar zoo even Voor Knokkel hier mijn' laatste duit gegeven; Want, malsche poes, ik kan te voet niet gaan!’ Zij heeft heure armen op de borst gevouwen En staat hem met bewondering te aanschouwen. Dan gaat heur oogslag over 't mager paerd: Zij schuddebolt van 't hoofd tot aan den staert. Maar moeder Strop, die nooit had kunnen lijën Dat ze op de baan met jonkers stond te vrijen, Kwam uitgeschoten, krikkel en verwoed, Liep recht tot haar, en keef eens kort en goed. De meid had wel de schouders op te halen,
Te staamlen dat Mijnheer niet kon betalen, - Dan hadd't ge moeten hooren hoe het wijf Erover ging, - zij woû hem schier te lijf. ‘'k Zit hier zoo arm als ooit een zwijnenhoeder, Sprak Ridder Wilm, en kan er niet aan doen. Drie cents en half.... gaat meê naar mijne moeder, Of 'k zal ze u brengen, morgen vóór den noen. Wat wilt ge in pand, dan kunt ge niets verliezen, Mij of mijn paerd? nu hebt ge maar te kiezen!’ ‘'k Wil uwe laerzen, poovere mijnheer! Zoo schreeuwde 't wijf, en komt hier nimmer weêr!’ Hij speelde ze uit en wierp ze vóór haar neêr. Nu lag voor hem de steenweg weder open; Met eenen ju! ging zijne Mie aan 't loopen; Maar menig boer, die uit het veld keek, riep Dat de arme knol op houten stelten liep.
Cookies on Poetry Cove