II.
Graaf Thorveld, 's konings afgezant in Romen,
Was onverwachts te Antwerpen aangekomen.
Hem kwol de worm der onrust in 't gemoed.
Hij ging niet uit, alsof hij scheen te schromen
Dat hij op straat door iemand wierde ontmoet.
Niet éénen vriende zond hij zijnen groet,
Als was hij tegen allen ingenomen.
Hij was een man van onbesproken bloed
Men had hem zoo gebeiteld en gesneden
Als Vredecus ook Frits had willen kneden.
Hij was een beeld als man van goede zeden,
En zoo gestreng en trotsch op zijn geslacht,
Dat hij verbleekte als hij aan schande dacht,
En hij het liever uit had laten sterven,
Dan het te kopplen tegen zijnen stand,
Dan met onaadlijk bloed het te verderven.
Hij diende 't Hof, al haatte hij zijn Land,
En ver van dezes gunst te willen werven,
Was hem het volk als zijnen voet het zand.
Hij zegde dat bij zulk een laag onteeren
De Thorvelds allen in hun steenen graf
Zich tandenknarsend omme zouden keeren,
En God den bliksem werpen zou tot straf.