VI.
Zij gingen saâm hen menigmaal bezoeken,
Besloten hun te spreken van de zaak:
Het moest er uit, want Hugo was ter spraak,
En, viel het zwaar, zou Ida hem verkloeken.
Door 't zolderraam lag Willem schier altijd
Met zijne pijp, zij zagen hem van wijd.
Dan, Schoone Beth, op zijn geroep of teeken,
Kwam ook haar hoofd door 't zoldervenster steken:
Zoo knikten zij de jonggetrouwden toe.
't Was een onthaal, een vragen, een vertellen,
Een' gulheid waar geen eind was aan te stellen:
Hield Willem op, de moeder was niet moê; -
En 't paar ging heen gelijk het was gekomen,
Met heel zijn plan en vele nieuwe droomen....
Zoo ging het ook als Willem bij hen kwam,
Of Beth er al een kopje koffij nam.
Had Ida zelfs den mond al eens half-open,
Het woord was weder naar heur hert gekropen.
Daarbij, sinds, achter Koenraad die verdronk,
De losbol roekloos in de Schelde sprong,
Was hij half-doof, er tuitte een zijner ooren;
't Gebeurde zoo dat uit vriend Hugo's mond
Toch eens een woord, een zin viel, maar dan stond
Hij langs dat oor en ging de klank verloren....
‘Ik moet naar Reeth! zoo riep hij, 'k mag wat zijn:
Vriend, wat gij zegdet, is voor mij latijn!’