IV.
En Frits' fortuin, de vier miljoenen, waren
Tot twee verbrast sinds de een-en-twintig jaren;
't Was of de schat dien hem zijn vader won,
Als eene mijn, geen einde hebben kon.
Bianca was niet de eenige gebleven
Die meê verkwistte in een losbandig leven,
Maar Bertha's goed zou hem in macht en eer
Veel hooger op doen klimmen dan weleer.
Dies was een lach om zijnen mond ontloken,
Als Vredecus van haar hem had gesproken.
Doch - en dit zij tot 's paters lof gezeid -
Niet dat gedacht had hem tot Frits geleid:
Bianca woû, hoe men haar ook mocht noemen,
De schandlijkheid haars levens niet verbloemen,
En hij woû zien of reine liefde en trouw
Hem voor altijd van haar niet scheiden zou;
Want eenmaal zouden toch de dagen rijzen
Dat Frits der Orde diensten zou bewijzen.