IV.
Zij zag hem na, bleef in gedachten staan,
En zegde stil: ‘'k Hadd' willen medegaan....’
En ziet, wanneer de zonne reeds twee uren
De ruimte had doorstroomd met gloed en licht,
En 't eerste stoomgevaarte uit onze muren
Den tocht begon, door 't heideland gericht,
Dan voerde 't Ida, Beth en Hugo mede,
Voor wie het kroop, hoe men het vliegen dede.
En als de zon heur' dagreis had volbracht,
Als uit het veld, bij 't naadren van den nacht,
Het landvolk huiswaarts keerde met zijne ossen,
Gelukte 't hun het meisje te verlossen.
Dan keerden ze ook gevijven naar de stad,
Wees Bertha's hand in Ida's hand gevat,
En saâm vooruit langs akkers, heî en bosschen.