XIII.
Door zulken man werd Frits niet toegesproken, Wanneer te huis hem les gegeven werd: Een Jezuïet bestuurde geest en hert, Eene echte slang in menschenlijf verdoken. Zijn zoete naam was Pater Vredecus. Hij was de vriend der rijkste huisgezinnen, En bracht er raad en zegeningen binnen. Zacht was zijn woord, en ook zijn oogslag dus, Zoo dat hij nooit iet zegde of iet liet denken, 't Welk de ijdelheid der grooten konde krenken, Bij wie hij kwam met vriendelijk onthaal. Zij werden steeds gevleid door zijne taal. Frits' vader hadd' zoo graag ‘baron’ geheeten! Die wensch werd ook door Vredecus geweten, En ras had deze een middel aan de hand: Hij kocht van eenen jonker zonder land, Kasteel of geld, en overlast met schulden, Dien titel af voor vijftig duizend gulden. Geen wonder dus dat hem de dankbre man Sinds dat geluk niets meer ontzeggen kan, Hem zijnen zoon gesteld heeft in de handen, En hem zijne eigne ziele zou verpanden.
Dan, op den dag als onze dappre knaap Was thuis gekeerd met wagentjen en schaap, Zag Vredecus aan zijn nog grimmig wezen Dat zijn geliefde leerling had gegrezen; En toen hem Frits 't geval had uitgelegd, ‘Herinnert ge u wat ik u heb gezegd? O! riep hij uit, waar zijn de schoone tijden, Toen wet en recht den edelman bevrijdden Voor zulken hoon van onderzaat en knecht? Een werkmanskind zoo naast een heerschap rijden! Een bedelaar zooveel als een baron! Dat dure niet, dat helpe God verbreken!’ Hier boog hij diep en glimlachte onder 't spreken Den kleine toe, zoo minzaam als hij kon. De vrome man was gansch in drift ontsteken; Hij zweette en blies, zoo dat hem de lakei Met schalken blik en scheeve tronie zeî: ‘Wat spijt! wat spijt! Gij dampt er van, o Pater! Wil Zijn Eerwaerde vliegends een glas water?’ Dan liep hij weg, en 't was te goeder uur, Want Vredecus schoot uit zijne oogen vuur. Doch ziet, op eens werd zijn gelaat zoo effen Als was er nooit een rimpel in geweest; Hij sloeg den blik ten hooge, alsof de geest
Loyola's hem ten hemel wilde heffen. Dan prevelde zijn mond een woord latijn. ‘Komt, lieveling, ik zal u heden leeren, Sprak hij tot Frits, hoe streng in 't oog des Heeren De trotsche mensch bestraffelijk moet zijn!’ En hand in hand verdwenen zij nu beide Op eenen trap, die hen naar boven leidde.
Cookies on Poetry Cove