VII.
Zoo zat zij, toen een knecht haar aan kwam konden Dat haar een arme duivel spreken woû, Dat zij getweên hem niet weêrhouden konden. Zij zegde dat zij hem ontvangen zou, En Koenraad kwam op waggelende beenen De zaal in, waar zij heimlijk zat te weenen. Hij nam des jonkers beurs uit zijnen zak, En rinkelde eens, eer hij ze wederstak. Zij zag hem aan; het scheen hem dat zij beefde,
Ofschoon een lach om zijne lippen zweefde. ‘O! weest niet bang, zoo sprak hij, voor den man Den een'gen man, die u nog helpen kan.’ Hij zette zich op eenen leunstoel neder, En sprak met lompe scherts en spottend weder: ‘Zoo dus, Schoone Emma, gij en kent mij niet? Ik ken u wel, al ware 't drommels beter Dat men u thans de Leelijke Emma hiet! 't Is of mijn oog op een geraamte ziet....’ Een schaterlach was 't wapen dat die woorden, Zoo als een dolk, in haren boezem stiet, Om, niet haar lijf, om hare ziel te moorden! ‘Wie zijt ge? riep zij, en wat wilt ge mij?’ Hij schudde traagzaam 't hoofd, als hadde hij Met de arme kranke derenis gekregen. ‘Hoe ééne zonde u op het hert kan wegen! Herhaalde hij. Uw eigen bloed zoo lang Verstooten! Maar, ik wasch er mij, God dank! De handen af: gij moet alléén het boeten....’ Met eenen gil vloog zij aan zijne voeten. ‘O Koenraad! Koenraad!’ trilde hare stem; En siddrend stak zij de armen uit tot hem. De dronkaard lachte als hij ze neêr zag knielen, En tranen heet op zijne handen vielen.
‘Zóó!’ raasde hij, den blik vol trotschen glans, ‘Geknield vóór Koenraad, uwen meester thans! Zóó moet het zijn! Gij snakt naar uwe kleinen Zoo als een hert naar 't water der fonteinen, Zegt pater Schoofs; - maar ik, mevrouw, ik snak Naar goud en naar een leven vol gemak!’ Zij wilde hem angstvallig onderbreken. ‘Mijn kind!’ zoo snikte zij; doch Koenraad sprak: ‘Zoo haastig niet; laat af mij dus te smeeken; Ik ben geen knecht meer; ook wil ik vandaag Doen als een heer: 'k wil traag zijn, tergend traag.... Vooreerst, gij hebt nog niets mij ingeschonken. Eens lekker op mijn wederzien gedronken! En dan gesproken van de ronde som Waar ik gerust meê door de wereld kom. Daarbij, gij zult misschien niet lachen om 't Geen uwen zoon....’ Hij beet zich op de lippen, Als wilde hij geen woord meer laten glippen. Hij zag den angst, die in heure oogen blonk: 't Was of heur blik door zijn gebeente drong! ‘Mijn zoon, riep ze uit, is immers bij de dooden?’ Hij had zijn hoofd ter zij' gewend, doch zag Haar op die vraag weêr aan met eenen Iach.
‘Ja, zijne ziel is ginder heen gevloden, Antwoordde hij, en wees den hemel aan. Ik wist niet dat uw hert hem bij degenen Reeds telde die van de aarde zijn verdwenen; Daarom was ik meêlijdend aangedaan....’ En haar bedroog de toon waarop hij 't zeide. Zij dacht aan hare dochter nog alleen, En vroeg er om, terwijl zij weder schreide. De doemeling werd harder nu dan steen: Hij schaterlachte en deed de beurs weêr klinken, Zinspelend op een levensdurend drinken. Ach! haar gemaal kon komen t' allen stond; Indien hij haar met dezen dronkaard vond, Zou haar zijn trots meêdoogenloos verstooten Zij nam de beurs waaruit zij d'armen gaf; Hij schopte die verfoeilijk van zich af, Opvliegend tegen de eerloosheid der grooten, En vloekte tot de sidderende vrouw Dat hij veeleer haar kind onteeren zou; Dat de allerkaalste jonker hem tien malen Meer voor de kuische Schoone zou betalen! Hij stapte gram, met schuim op zijnen mond, Als een bezetene de zale rond. Zij stond zoo bleek en beefde of zij ten gronde
Neêrstorten ging. Dan liep zij naar de kas, Waar 't geld, al 't geld, in opgesloten was. Zij nam er uit zooveel zij nemen konde, En legde 't knielend neêr in zijnen hoed, Hem smeekend om haar eigen vleesch en bloed Toch in het slijk der schande niet te storten, Maar liever haar het leven te verkorten! En wen zij sprak, zoo biddend neêrgeknield, En zoo heure armen om zijn' knieën hield, Klonk op den trap een voetstap, - en gezwinder Sprong Emma op, dan eene ree die vliedt, De bergen af, wanneer zij jagers ziet. ‘IJlt weg! ijlt weg!’ zoo gilde zij, ‘langs ginder!’ En Koenraad, als ontvlood hij eenen brand, Liep naar de straat, den hoed in zijne hand.
Cookies on Poetry Cove