XII.
Waarheen met zulk een paerd? Op Gods genade! En ziet, 't is nauw twee straten ver gegaan, Of ginder komt een arme kruijer aan, Met een' vracht zand, waarboven eene spade; En 't paerd blijft staan, geschokt en trillend staan,
Als om den man met deernis gâ te slaan. Ook Willem slaat hem medelijdend gade.... Het is een oude, meer door 't werk geknakt Dan door den last der jaren kromgebogen; Hij rust om 't zweet van zijn gezicht te droogen; Flauw roept hij ‘zand,’ nog flauwer staan hem de oogen; Het grieft, te zien hoe hij om adem snakt. Toch, merkbaar is het, lijdt hij zonder wrokken. Lang heeft een paerd voor hem de kar getrokken; Maar paerd en kar heeft hij verleden week Om brood verkocht, eer zijne vrouw bezweek. Thans kruit hij zelf, schoon moed en kracht hem falen, Om niet al beedlend om te moeten dwalen. En 't is zijn paerd dat vóór hem staat, dat hem Aanspreken zou, bezate 't eene stem! Hij ziet het aan, en 't woord dat hij wil spreken, Blijft als een krop hem in de kele steken. Hij gaat erheen, maar kan niet, keert weêrom En wil de straat uit, van ontroering stom. Doch Willem, met een' gil ten gronde springend, Vat zijnen arm en, hem te blijven dwingend, Vraagt, raadt, verneemt en laat den man niet voort Dan als hij 't ros goed vasthoudt bij de koord.
Dat gansch tooneel had Hugo, trotsch en blijde, Van verre aanschouwd, met Ida aan de zijde. Nu trad hij toe en vroeg aan zijnen vriend Waar, zonder kar, een paerd den boer toe dient? ‘Verzelt den man dan toch naar Neel de Craecker, Ge kent hem wel, den manken wagenmaker? Ge weet de rest....’ En Willem riep: ‘Verstaan! 'k Ben niet meer doof, want ziet ons maar al gaan!’ En vol geluk, wat men er ook van zeide, Trok hij frisch op met paerd en kruijer beide.
Cookies on Poetry Cove