VIII.
En Willem liep verstomd tot Ida heen,
En bracht het kind, dat hem als haren broeder
Beminde, bij het sterfbed harer moeder,
Die haar moest zien, eer zij vóór God verscheen.
De maged beefde zóó op hare beenen,
Dat Hugo haar met Willem hulp moest leenen,
Dat men haar steunen moest bij eiken tred
Dien zij vooruitdeed nader tot het bed.
Zij had zoo vaak in stilte zitten droomen
Dat zij op eenmaal vleugels zou bekomen,
Vernam zij ooit in welk gewest op aard
Zij haar kon vinden, die beur had gebaard.
En nu zij onverwachts het heeft vernomen,
Nu hare moeder de armen tot haar heft,
Nu houdt haar bloed in de aadren op te stroomen,
Nu beeft en rilt ze, of eene ramp haar treft....
Zij werd geleid en bijna voortgedragen.
Dan, met den kreet: ‘o moeder!’ viel ze op haar.
Zij zoenden lang en sidderend elkaâr;
Met de eene ziel smolt de andere te gaâr:
't Was de eerste maal dat zij elkander zagen....
't Was ook de laatste, - want de geest der Dood
Was met het kind dat zij in de armen sloot,
De kamer ingetreden, en hij bukte
Zich achter Ida over 't bed, en drukte
Ook zijnen zoen op Emma haren mond.
Heure armen gingen los en vielen neder;
Om Ida's hals hief zij ze niet meer weder;
Doch nu nog kuste 't meisje haar zoo teeder
Dat zelfs de Graaf er bij te weenen stond.