Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

III.

De Wroeter was met Ida dus getrouwd. (Want, Lezer lief, gij hebt nog niet vergeten Dat hij alom de Wroeter werd geheeten? 't Is van belang dat ge alles goed onthoudt.) 't Was feest geweest, en Willem had gezongen, Geluk gewenscht, geraasbold en gesprongen: Hem had de wijn het hoofd op hol gebracht.

Ook Schoone Beth had haren kop verloren, Zoodat zij thuis, ontwakend bij het gloren Der heete zon, het luid geroep liet hooren: ‘Och, Willem, op! 't is reeds een uur of acht!’ En niets meer wist van lang vóór middernacht.

't Was nu te laat om nog ter merkt te rijden. ‘Kom, zegde zij, ik zal wat boonen snijden.’ Zij nam een mes, schoof eenen tob ter zij', En Willem ook schoof zijnen stoel er bij. ‘Nu zijn wij saâm en kunnen 't overleggen,’ Begon hij dra, als hadd' hij veel te zeggen. Zij glimlachte eens, niet denkend of hij woû Haar melden dat hij eerlang trouwen zou. ‘Welnu, sprak Beth, weest maar niet zoo verlegen; Gij hebt het mij al lang genoeg verzwegen; Het kome er uit; ik keur het immers goed?’ ‘'t Is waar, sprak hij, sinds Ida haar verhuizen Behoeven wij het niet meer uit te pluizen: Van drie op twee, het is een groot verschil.’ ‘Dat zeg ik ook, zeî Beth, 't raag zoo niet duren. Ziet maar eens uit bij verren of bij buren....’ Hij kijkt haar aan, niet wetend wat zij wil. Maar zij gaat voort: ‘Daar is de kleine Zwarte

Uit de Avondstar, bruin Mieken uit de Spâ, Of rosse Roos, wat dwaas, maar goed van herte... Er loopen er genoeg u achterna!’ ‘God sta mij bij! roept hij nu, ik zou trouwen? Vóór heel de stad? Och, hoe ze lachen zouën!’ ‘Wat wilt gij dus?’ vraagt ze ongerust. - ‘Ik meen Dat ik genoeg win, ik, voor ons getweên, En dat gij dus geen uur meer hoeft te werken. Daar vliegt ge al op! maar hoort mij toch eens aan, Zit nogmaal neêr, gij zult weldra bemerken Dat gij voor mij te veel al hebt gedaan. 'k Ben lang bejaard, en liete ik u betijen, Gij zoudt mij nog in eene koets doen rijen. Dat wil ik niet, en gij moet wandlen gaan! Van morgen af verkoop ik uwen wagen; Met zijnen prijs koopt ge u een gouden kruis; Daar gaat gij al eens meê bij Ida thuis, En ik, ik zorg voor 't brood van alle dagen.’

Zij legde plots de hand hem op den mond: Die taal had haar doen siddren en verbleeken. ‘Zal ik dan ook geen woordje mogen spreken?’ Riep ze uit met drift, stampvoetend waar zij stond. ‘Ik niets meer doen? Ik stierve op zeven weken...

Uit wandlen gaan? Och, Willem, Willem, zoon, Ik ben mijn' kraam en klanten zoo gewoon! 'k Zou, gaande, als eene bannelinge droomen; Waarheen dan ook, 'k zou op de Meir uitkomen. Nog liever thuis.... En 'k heb u reeds verteld Dat ik al vaak ajuinen heb besteld Bij die mevrouw, wier vel zoo droog, wier wezen Zoo dun is dat ge in haren mond kunt lezen. Wel, die vreet thuis haar hert op tot den noen, En heeft nadien ook anders niets te doen. Dat zou ik ook, moest gij mijn kraam verkoopen. Ik zal niet eeuwig op deze aarde loopen; Verandert niets aan mijnen ouden dag; Zegt dat ik nog als vroeger leven mag....’ Zij sprak dus, over Willem heengebogen, Die haar aanzag met zoete, vochtige oogen. ‘Ik weet, hernam zij met nog meer gevoel, 't Heil uwer moeder is uw eenig doel, Maar 't bezigzijn laat zoet geluk mij smaken, En 't niets doen zou mij zoo rampzalig maken!’ Gelijk op vuur zat hij op zijnen stoel. ‘Och! riep hij uit met de armen opgeheven, Wie dacht dat gij den drommel zoudet geven, Als ware 't niets, van 't rijkemenschenleven?’

En hij erkende met verheugden geest, Zij had gelijk, en hij was dom geweest. ‘Daarbij, hernam zij, laat het mij u zeggen, 't Is altijd goed zoo wat ter zij' te leggen, Al ware 't maar een appel voor den dorst. Ook zou 't mij gaan, mijn kraam wat uit te breiden, En al een zeil te kunnen openspreiden, Dat mij bevrijdt van regen, wind en vorst. Ik woû zoo wat in mijnen stiel veroveren....’ Dat laatste woord scheen Willem te betooveren. ‘Laat mij maar doen, gij zult te kijken staan!’ Riep hij, sprong op en wilde henengaan. ‘Zoo haastig niet, zeî Beth en hield hem tegen; 't Is zomer nu en ver van sneeuw en regen. Hadde ik zoo gauw wat nieuws aan kraam of lijf, Op een-twee-drie riep ieder groenselwijf: Dat heeft ze vast van Ida al gekregen! Dus, zoon, geduld nog eene maand of vijf.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove