III.
Er was een man die sinds een aental dagen
Gezworen had in zijn benepen hert
Dat hij niet gaan zou langs de Groote Merkt,
Wanneer 't schavot er zou zijn opgeslagen.
En inderdaad, de booze Koenraad zat
In eene kroeg aan 't ander eind der stad,
Zoo slordig of hij niet geslapen had.
Hij had dien morgend reeds zooveel gedronken....
Toch zat hij in gedachten weggezonken,
En zag zoo strak en sterlings voor hem heen
Dat hij de Wroeging, dat hij Caïn scheen.
De slang waardoor hij 't meeste werd gebeten,
Waardoor zijn hert als open werd gereten,
Was, - was het denkbeeld dat de Moorder zou
God tergend sterven, spottend met berouw,
En dat hijzelf zou worden neêrgesmeten
In 't graf, met heel den last op zijn geweten!