Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

III.

Er was een man die sinds een aental dagen Gezworen had in zijn benepen hert Dat hij niet gaan zou langs de Groote Merkt, Wanneer 't schavot er zou zijn opgeslagen. En inderdaad, de booze Koenraad zat In eene kroeg aan 't ander eind der stad, Zoo slordig of hij niet geslapen had. Hij had dien morgend reeds zooveel gedronken.... Toch zat hij in gedachten weggezonken, En zag zoo strak en sterlings voor hem heen Dat hij de Wroeging, dat hij Caïn scheen. De slang waardoor hij 't meeste werd gebeten, Waardoor zijn hert als open werd gereten, Was, - was het denkbeeld dat de Moorder zou God tergend sterven, spottend met berouw, En dat hijzelf zou worden neêrgesmeten In 't graf, met heel den last op zijn geweten!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove