III.
Men zal mij vragen: ‘Had die man een herte?
Hij ziet er uit als een op wiens gelaat
Slechts grimmigheid met gal te lezen staat....’
Men wachte wat, men ziet hem in de verte.
Hij haatte, ja, en zulks uit volle borst,
Den heelen Staat, behalve zijnen vorst;
En, hard als marmer, hadde hij om 't leven
Des halven menschdoms geene duit gegeven.
Maar - helpe u God, zoo gij het ondervindt! -
Wie velen haat en weinigen bemint,
Lieft met een vuur dat zwakkeren verslindt;
Zelfs diamant en komt niet ongeschonden
Weêr uit de vlam waar staal wordt in verslonden;
En zijne vrouw aanbad hij met den gloed
Die ijlzin wekt en koortsen in het bloed,
Haar die zoo schoon en rein was in zijne oogen
Als een der serafs vóór Gods troon gebogen.
Wat zoet geluk had hij gesmaakt met haar!
Met welke trotschheid, over achttien jaar,
Had hij ze meêgevoerd aan zijne zijde,
Uit Brussel heen, waar ieder hem benijdde!
Hij werd met haar onthaald in ieder land
Als koning zelf, hij 's konings afgezant.
Tien zomers bracht hij aan des Tibers boorden
Door in een heil dat geene zorgen stoorden.
Hun leven vloot als 't water uit de bron
Dat bloemen laaft en lispelt tot de zon.
Men noemde haar in liefdevolle woorden
De schoonste vrouw uit gansch het blonde Noorden;
En hij was fier, al scheen hij ook van steen;
Hij wandelde om in zegen op deze aarde,
En, schoon zij hem noch zoon noch dochter baarde,
Hij dankte God om hare liefde alleen.