IX.
Er was iets dat den ouden Jezuïet
En Vromen ook noch duur noch ruste liet:
De sleutels die zoovele onschatbre waarden,
Papier en goud, in kas en schuif bewaarden.
Die sleutels droeg mevrouw op hare borst,
Waar vast geen mensch het lint ontknoopen dorst.
‘Gij moet ze hebben!’ mompelde de pater.
‘'k Zal!’ zegde Vromen, en een weinig later
Stond hij aan 't ziekbed met een gloeiend hoofd.
Zij was nog niet van haar verstand beroofd.
Hij draalde niet, de laatste proef te wagen
En lispelend de sleutels haar te vragen.
De stervende oogen richtte zij tot hem,
Als vroege zij: ‘Was dat wel uwe stem?’
Dan boog hij zich dichtbij, sprak opgewonden
Van God en hemel, duivelen en zonden,
Dooreen, verward, en sloot zijne aanspraak dus:
‘Ik koom er om van wege Vredecus....
Hij bidt voor u met de armen opgeheven....
Zóó met uw hert aan sleutels vast te kleven!
Zal hij u die des hemels dan niet geven?’
En bevend gaf zij hem den sleutelbos....
Hij knoopte 't lint van haren hals niet los,
Maar snokte 't af, en ging triomfvol henen,
Met oogen die als vuurgefonkel schenen.