Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

IX.

Er was iets dat den ouden Jezuïet En Vromen ook noch duur noch ruste liet: De sleutels die zoovele onschatbre waarden, Papier en goud, in kas en schuif bewaarden. Die sleutels droeg mevrouw op hare borst, Waar vast geen mensch het lint ontknoopen dorst. ‘Gij moet ze hebben!’ mompelde de pater. ‘'k Zal!’ zegde Vromen, en een weinig later Stond hij aan 't ziekbed met een gloeiend hoofd. Zij was nog niet van haar verstand beroofd. Hij draalde niet, de laatste proef te wagen En lispelend de sleutels haar te vragen. De stervende oogen richtte zij tot hem, Als vroege zij: ‘Was dat wel uwe stem?’ Dan boog hij zich dichtbij, sprak opgewonden Van God en hemel, duivelen en zonden, Dooreen, verward, en sloot zijne aanspraak dus: ‘Ik koom er om van wege Vredecus....

Hij bidt voor u met de armen opgeheven.... Zóó met uw hert aan sleutels vast te kleven! Zal hij u die des hemels dan niet geven?’ En bevend gaf zij hem den sleutelbos.... Hij knoopte 't lint van haren hals niet los, Maar snokte 't af, en ging triomfvol henen, Met oogen die als vuurgefonkel schenen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove