Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

V.

En hij verhaalde 't levenslot des Blinden. Kerkmuziekant was de arme man weleer;

't Was aan de kerk dat hij het kind mocht vinden, Des morgends vroeg, bij koud en ziltig weêr. Hij strunkelde over 't wichtjen in het donker. Het kreet; al bevend nam hij 't op, en stak Het gauw, schuw omziende, onder zijnen frak, En luisterde angstig, doch geen voetstap klonk er. Toen sloop hij als een dief er meê naar huis, Den stap versnellend bij het minst geruis. 't Was hem als had hij eenen schat gevonden. Ook zijne vrouw ontving het als haar bloed; En elk der uren, sedert dan verzwonden, Liet hun, ten loon, genoegen in 't gemoed. Maar hij werd blind en ging in kroegen spelen; Den ouden sukklaar leidde zijne vrouw; Zij stierf, eilaas! en toen, toen vreesden velen Dat ook de Dood bleeke Ida halen zou. Doch God had met den Blinde mededoogen, En liet hem, tot vergoeding zijner oogen, Den engel, als het zonlicht in zijn hert. Zoo kwam het dat een hond zyn leider werd: Hij wilde niet dat Ida hem verzelde, Hoe teederlijk het meisje hem dat vroeg, Hoe smeekend zij hem ook de handen knelde. 't Verderf der wereld kende hij; het joeg

Hem, als zij sprak, de siddring door de leden, En eens heeft hij met tranen haar gebeden, De blanke kruin ontblootend, die hij droeg, Toch niet te doen wat zij zoo innig zeide: In zijne plaats te zingen voor hen beide.... Bax, meester Bax, kwam elken avond laat, En gaf haar les en bracht haar wijzen raad; En jaren lang heeft zij des Blinden dagen Gekort met hem uit boeken voor-te dragen. Zij las zoo schoon dat hij haar soms tot hem Trok, rillend bij het klinken harer stem. Gansch opgeruimd ging hij dan 's avonds henen, Kroeg-in, kroeg-uit, met minder stramme beenen, En glimlachte onder 't spelen haar nog aan, Als hadde zij ook daar vóór hem gestaan. Nooit kwam hij thuis of Ida trad hem tegen, Met blij gemoed, tot op den trap, - en daar Sloot hij, al bevend, in de handen haar Het weinig geld liefdadiglijk verkregen. Sinds de arme Blinde krank werd, sinds hij kucht, Sinds hij zijn hoofd neêr hangen laat en zucht, Troost zij hem meer met zorg en teederheden Dan kindren ooit voor eigene ouders deden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove