Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

IV.

En thans gelijkt Schoone Emma van voordezen Aan eene schim op 't doodenveld verrezen. Acht jaren zuigt de wroeging, drop voor drop, Heur hertebloed, zoo als eene echel, op. Hij ziet haar stom en steeds geheimvol lijden, Nu eens, vol moed, haar met de ziekte strijden, Dan weêr geknakt, alsof de hand der Dood Haar op den schouder nederviel als lood; En hij weet niet hoe 't Gode kan behagen Haar, en niet hem, zoo onverdiend te slagen; Hij mort bijwijl, diep in de ziel bedroefd: ‘Zij ik het, Heer, niet zij die Gij beproeft.’ Hij kan niet denken dat zij in haar leven Een zondig feit, één enkel, heeft bedreven. Nooit, meent hij, heeft haar schuldeloos gemoed 't Gevoel der min voor anderen gevoed; Hem lieft ze alleen, meer dan zij uit kan spreken; En kan het zijn dat God dit zoude wreken? Neen, zoo de deugd haar loon op aarde ontving, Zij ware omringd van heil en zegening.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove