IV.
En thans gelijkt Schoone Emma van voordezen
Aan eene schim op 't doodenveld verrezen.
Acht jaren zuigt de wroeging, drop voor drop,
Heur hertebloed, zoo als eene echel, op.
Hij ziet haar stom en steeds geheimvol lijden,
Nu eens, vol moed, haar met de ziekte strijden,
Dan weêr geknakt, alsof de hand der Dood
Haar op den schouder nederviel als lood;
En hij weet niet hoe 't Gode kan behagen
Haar, en niet hem, zoo onverdiend te slagen;
Hij mort bijwijl, diep in de ziel bedroefd:
‘Zij ik het, Heer, niet zij die Gij beproeft.’
Hij kan niet denken dat zij in haar leven
Een zondig feit, één enkel, heeft bedreven.
Nooit, meent hij, heeft haar schuldeloos gemoed
't Gevoel der min voor anderen gevoed;
Hem lieft ze alleen, meer dan zij uit kan spreken;
En kan het zijn dat God dit zoude wreken?
Neen, zoo de deugd haar loon op aarde ontving,
Zij ware omringd van heil en zegening.