Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

V.

Een nichtjen in dat treurig huis verscholen? Een meisje, ja, dat nog geene achttien maal De ontluiking zag der rozen en violen, En zelve zingt gelijk de nachtegaal. Waar zij verschijnt, verspreidt zij vreugd en leven; Het huis weêrgalmt alsof het haar bedankt; Den breeden trap schijnt ze op en af te zweven, En in haar hofje dartelt zij, omgeven Van bloemengeur, waarin zij vlinders vangt!

Dat vroolijk kind is echter eene weeze, Die niets bezit dan wat mevrouw haar schenkt; Maar heeft zij voor de toekomst geene vreeze, Zij weent nochtans als ze aan 't verleden' denkt.

Hare arme moeder is zoo droef gestorven! Zij was mevrouw haar' zuster, doch heur hert Had Jonkheer Banck van Tholen niet verworven: Een koopman was 't die haar tot gade werd. Zij zelve dus, uit aadlijk bloed gesproten, Had koel de hand eens edelmans verstooten.... Lang had daarom mevrouw Urbijn getreurd. Die stem der spijt had eindelijk gezwegen, Wijl de eer en macht des koopmans immer stegen. Maar heil en ramp verwisselen bij beurt: Een storm op zee deed zijne schepen stranden, Een vonkje vuurs zijn stapelhuis verbranden; Op ééne maand was de benijde man Zoo goederloos als men het wezen kan. Dan werd mevrouw - God moge 't haar niet wreken! - Weêr koud als ijs; zij noemde 't eene straf. Het hertwee dreef het echtpaar naar het graf; Zij bogen 't hoofd, en alle beî bezweken. Dan woû mevrouw nog hare zuster spreken; Het was te laat.... - Greep haar de wroeging aan? Ze is met het kind bedroefd naar huis gegaan.

Sinds denkt elkeen dat bij haar eigen sterven Het nichtje haar vermogen gansch zal erven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove