VI.
Hij kwam dus aan het huis, waar de arme vrouw,
Met weelde omringd, te weenen zat van rouw,
In eene zaal, alleen met hare smerte.
't Bekennen heurer misdaad had heur herte
Verlicht, en hoop gestort in haar gemoed.
De Graaf had haar vergiffenis geschonken,
En nieuwe kracht was in haar neêrgezonken.
Doch dag aan dag was sinds voorbijgespoed,
En niets, niets had zij van haar kind vernomen,
Dan, sluimrend, in bedriegelijke droomen....
Ontmoedigd was zij meer dan immer; af-
Gemat, ontzenuwd, zuchtte zij naar 't graf,
Om eindlijk daar aan zielerust te komen.
Wie haar dus zag, de handen in elkaâr,
Het mager hoofd op hare borst gebogen,
Ten gronde starend met heur' glazige oogen,
Moest haar aanschouwen met zooveel meêdoogen
Alsof hij 't beeld der Boete zag in haar.