III.
Mijn drietal trok nu mannenlaerzen aan,
Om ieder vrij de wereld in te gaan.
(Het is bij beeldspraak dat ik schrijve ‘laerzen’,
Want beeldenrijk zijn alle goede vaerzen;
Dat maakt ze klaar.... - dus heb ik daar gezet:
Zij werden man in name van de wet.)
Nu gaat hun rol eerst wezenlijk beginnen.
De tijd breekt aan van haten en beminnen.
Het liefdevuur zal hen alras misschien
Uitzinniglijk een Evaskind doen eeren,
Dat hen wellicht zal weigren aan te zien,
En hun den rug bespottend toe zal keeren
Ook maken zij nu deel van 't vrije land,
Dat rekent op hun hert en hunne hand.
Wat dienst zal elk aan 't algemeen bewijzen?
Wat is hun wensch, hun heimelijke zucht?
Verlangen zij een leven vol gerucht,
Of zoeken zij het stil genot der wijzen?
Zij weten toch dat een beraden man
Hetgeen hij wil, al licht bekomen kan?
Dat burgerdeugd van allen zich doet prijzen,
En in den Staat tot hoogen rang doet rijzen?
En toch, wie weet wat bitternis hen wacht!
Zoo hen de nijd bezwaddert en ontkracht,
Is hunne ziel bestand om hare plichten,
Hoe snood miskend, gelasterd en veracht,
Met ijzren wil, haatkroppend, te verrichten?
Zal hun geen rimpel komen in 't gelaat,
Als hen de nijd grijnslachend gadeslaat?
Of zoo de geest, door God hun ingegeven,
De kunst verkiest als doelwit van hun leven,
En zoo de hoogmoed hun het hert verslindt,
Zal hen de Roem met lauweren bekronen,
Hij die alom, alom waar menschen wonen,
Zich de ooren stopt en voortvliegt als de wind,
Hoe men hem smeeke op honderd duizend toonen?