XI.
Zij zaten hem verwonderd aan te staren. En Hugo sprak: ‘Graaf Thorveld, mij bemint De onschuldige Ida, Emma's levend kind. Ze is mijne bruid: uw geld moogt gij bewaren.... Na alles wat de droeve is wedervaren, Is 't maar in liefde dat zij welzijn vindt. Denkt ook niet meer dat ik iets kan begeeren Om u den eed, dien gij verlangt, te zweren: Ik zal 't geheim begraven in mijn hert!’ En Willem stond nu op, met lachende oogen, En sprak, eerbiedig vóór den Graaf gebogen: ‘Mijn' moeder zit met groensel op de merkt.... Ik ook bijtijds, en moesten wij 't vergeten, Slechts ééne week, wij hadden niet meer te eten.... Maar dat ge mij zóó spreken durft, heer Graaf, Vind ik, rechtuit, niet edel of niet braaf. Gij biedt mij geld, hoe ik het draaie of keere, Alleen mits dees: dat ik u niet onteere.... Wat zoudt gij doen, zoo iemand ooit bestond U zulken smaad te plegen met den mond? Kom aan, heer Graaf, gij hebt u dan missproken!
Nooit heb ik een gegeven woord gebroken: 'k Zweer wat gij vraagt! - maar doet ook gij den eed, Aan geenen mensch te zeggen wat gij weet: Dat hij, mijn vriend, zal met de zuster trouwen Van hem wiens hoofd de beul heeft afgehouwen. Zweert hem dat ook, Graaf Thorveld, zoo als ik!’ Hij zwoer het stil, met neêrgeslagen blik. En Willem nam hem bij de hand, en legde Hem zijn gemoed goedaardig bloot; hij zegde Dat men ook mensch is in den hoogsten staat; Dat hij ook alles eens zou moeten derven, En als de minste medebroeder sterven; Dat hij dus wis geene enkle goede daad Uitstellen wilde tot het was te laat; Dat hij terstond zulk eene daad kon plegen, Die eens, bij God, zwaar in de schaal zou wegen. En hertelijk verhaalde Willem dat Het kind der vrouw die hij had lief gehad, Nog geenen naam mocht dragen dan dengenen Dien haar een Blinde wel had willen leenen; Dat zij vol hope had gewacht naar dien Der moeder die zij niet meer weêr zou zien; Dat Ida steeds een engel was gebleven, Waerd dat de Graaf haar zijnen naam zou geven,
Haar als zijn kind erkennen; dat hij dan Zou handlen als te recht een edelman.... -
Graaf Thorveld zweeg, en als zij henengingen, Sprak hij slechts dit: ‘Ik dank u, jongelingen....’
Cookies on Poetry Cove