Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

VIII.

Zij ging tot hem: hij staarde door een venster, En zag de Schelde wieglen in den schijn Der zon, zoodat ze een vuurstroom scheen te zijn: Uit ieder golfje sprankelde eene genster.... Het zeevolk zong bij 't zwemmen in den vloed; 't Was buiten daar zoo lustig en zoo goed! Zij ging tot hem; hij ging de kranke tegen, En plaatste haar op eenen sofa neêr, Haar zoenend en haar zeggend dat de Heer Ten goede leidt langs ongekende wegen. Dan sloeg hij 't paar gordijnen open, wees De schepen aan, die zeilden vóór hare oogen En als kasteelen door de ruimte vlogen; Wees ook de zon, die aan den hemel rees, En, met den glans der blijdschap op het wezen, Zeî dat het vaderland haar zou genezen....

Zij schudde neen, leî heure linker hand Op hare borst, hief de andere ten hemel, En zuchtte dat heur ware vaderland Niet hier, maar ginds was, boven 't zongewemel. Hij zegde haar dat Godes almacht dan Nog redding heeft als niemand redden kan. ‘Ja, zuchtte zij, maar doet mij niet vergeten, De Almachtige moet ook rechtvaerdig heeten.’ Dan sprak zij dank, met diepontroerde stem, Om al 't geluk sinds hunnen echt genoten, En zegde, als eens heur graf zou zijn gesloten, Dat ze in den hemel bidden zou voor hem. Hij troostte haar, maar zag ze tevens beven. ‘Heb ik u ooit bedroefd, vervolgde zij, Hem smeekend aanziende, o! vergeeft het mij, Zoo zal me ook God, - zoo zal me ook God vergeven....’ Hij drukte hare hand aan zijnen mond, Vol eerbied, of hij vóór een' engel stond. Zij liet haar hoofd op haren boezem dalen, Bleef eene wijl als in gedachten dwalen, Dan, rillend als een rietpijl in den wind, ‘Graaf Thorveld, vroeg zij, baarde ik u een kind?’ ‘Heb ik er ooit met wrevel van gesproken? Was 't antwoord. O! dat hadde God gewroken!

Mijne Emma gaf mij wat zij geven kon, Al hare liefde!’ - Maakte zij u vader? - Hernam zij plots en weende als eene bron. Hij bracht zijn' lippen tot haar voorhoofd nader, En zegde dat voor geenen mensch op aard' Zooveel geluk als dat kon zijn bewaard.... ‘Voor geenen mensch?... Moet ik het zeggen?’ snikte Ze, wen ze biddend hem in de oogen blikte. ‘Graaf, vloekt mij niet: gij maaktet me uwe bruid, En ik was moeder, moeder!’ riep zij uit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove