Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

XV.

Lucht aan elks hert en licht in ieders hoofd! Natuur! natuur! waarom uw vuur gedoofd?

De lente had het groeizap in de boomen Nu veertien maal versnellend om doen stroomen, Sinds elk van hen, wier leven ik bezing, Den hellen glans des gullen dags ontving. 't Was middag, en de zon schoot hare glansen Op de aarde neêr langs onbewolkte transen, Zoo brandend heet dat plots in hare vlucht Eene oude kraai dood neêrviel uit de lucht. De zwangre stad, geprangd in hare muren, Kon zulken gloed ter nauwer nood verduren, En menig man, zuur ziende op zijne vrouw, Vroeg gromlend of het haast tempeesten zou. Dan, een matroos wees diep en laag in 't zuiden Een wolkjen aan, dat onweêr moest beduiden; Het was zoo klein en rees zoo traagzam op Dat ieder ‘neen’ zeî, schuddend met den kop. Allengs nochtans, gelijk een zware toren,

Dien reuzen met den schouder onderschoren, Zoo klom de wolk, rampspellend zwart en grauw Uitlossend op het helder hemelsblauw. Zij rolde uiteen met onheilvolle zwaarte.... Op de overkim rees tevens zulk gevaarte, Zoodat alras, ten zuiden als ten noord, De holle stem des donders werd gehoord. Geen windje speelde op 't water noch in 't lover; De zon dook weg; het dommelen werd grover; Een bliksemschicht blonk, flikkerde in het ruim, - En ziet, daar klotst de Schelde, spat het schuim, En schepen, hoog en log als zeekasteelen, Zijn pluimen thans, waarmeê de golven spelen!

Terwijl de orkaan dus loeit en woedt, beeft Frits, En slaat een kruis bij elken bliksemflits, Naar 't voorbeeld van den pater, die te midden Der kamer om stil weder zit te bidden. En Willem, met een aantal makkers, is, Dicht bij de stad, aan 't zwemmen als een visch. Het water is zoo lauw, als mengt de donder, Die troebelaar, er ook wat grondslib onder!

Doch bij dien groep is Wroeter Hugo niet, Die soms zoo lang ten blauwen hemel ziet?

De droomer is, bij 't eerste donderbrommen, Alleen en stil den toren opgeklommen, Den toren die, op schonken van arduin, Den bliksem tart met kaalgezengde kruin, Zoo hoog dat slechts een arend er durft rusten, Om uit te zien naar overzeesche kusten. Daar staat hij bleek, zich leunend als verschrikt, Ten hoogsten trap, van waar hij nederblikt. Met huivring ziet hij - doch zijne oogen vonkelen - Het bliksemvuur zich op de Schelde kronkelen, Zich slingren als een sissend slangenheer, Hier langs een dek, daar masten op en neêr. De donder knalt, dat zelfs de trotsche toren Zijn' schonken schudt en siddert bij het hooren. De Wroeter blijft, ontzettende natuur! Maar krimpt zich in, omsingeld door het vuur; Want gansch de spits des torens is omgeven Van wolk bij wolk, er raatlend zaamgedreven. En nu de stad aan 't uiterste gelooft, Rukt hem de wind den vilten hoed van 't hoofd, En voert hem meê, terwijl hij zijne vingeren Klemt in zijn haar, en 't zoo belet te slingeren; En zijne borst stoot anders geen geluid Dan gil op gil en schrille klanken uit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove