VII.
En Willem? O! het witte zijner oogen
Had Hugo rood zien worden van het bloed!
Hij trok hem meê, tot in de ziel bewogen,
En zelf geschokt, gebroken in 't gemoed.
Hij trok hem meê naar de advokatenkamer,
Sloot dicht de deur, trok sleutel af en kruk.
De jongling sloeg er zijne vuisten stuk,
Die op den muur weêrklonken als een hamer.
Zijne oogen rolden bloed; maar niet één schreeuw
Kwam uit zijn' mond: de omringende advokaten
Beweerden dat een leeuw was losgelaten....
Een leeuw, voorwaar, - maar ijslijk was die leeuw!