VII.
En inderdaad, op een' dier schoone dagen
Als pottenbakkers en het Boerken vragen,
Trok hij naar Reeth en wat op avontuur.
Van Berchem af koos hij de binnenwegen,
Sprak geenen boer of wenschte meê om regen,
Zag geene meid of wandelde haar tegen,
Kreeg ze aan den lach, al zag zij nog zoo zuur,
Liep vaak verdoold, maar raakte niet verlegen,
Zoodat hij toch te recht kwam op den duur.
‘Kom, laat de zon en laat ook mij eens kijken,’
Zeî 't Boerken en bracht Willem in den hof.
Nauw voelde deze in 't oor hem peutren, of
Hij sprong omhoog en liet zijn' vreugde blijken.
‘Gered! gered! met zoo wat zonneschijn....
O! riep hij uit, wat zal het kermis zijn!’