III.
Die dronkaard, oud geworden vóór de jaren,
Wiens hoed geblutst, wiens kleêren lompen waren,
Was Koenraad, - Koenraad, de ongetrouwe knecht,
Die Ida 's nachts te vinden had gelegd.
Het geld, bestemd om Emma's beide lammeren
Ten heul en troost te zijn in hunne jammeren,
Had hij verbrast, alsof de drank de smert,
De wroeging los kon spoelen van zijn hert.
Hij had gereisd in vele en verre streken,
Doch wat hem kwol, was met hem uitgeweken.
Hij had in Romen Emma nagespied,
En had gejubeld om haar zielsverdriet,
Wel denkend dat zij daar niet uit zou teren,
Maar vóór haar sterven naar het land zou keeren
Waar heure kindren in gebrek en rouw
Verkwijnden, en waar zij genezen zou.
Hij kon alléén het leven haar verlengen,
Door hare kindren bij haar weêr te brengen;
Hij wist alléén wat met hen was geschied,
Sinds hij hen op den kerktrap liggen liet.
Zijn geld was op, dus wachtte hem de ellende;
En liever dan te beedlen tot zijn ende,
Daar hij de kracht tot werken had verwoest,
Zou hij der vrouw die hem vervloeken moest,
Voor goud, 't geheim verkoopen dat hij kende.
Een ander middel bleef den dronkaard bij:
Jonge Ida was de Schoonheid zelve, en zij
Zou licht genoeg in de armen die onteeren,
Dat waerd zijn wat een uitgeleefde als hij
Nog noodig had tot liederlijk verteren....