Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

II.

Hun werk was af, de stelling was aaneen, En beide mannen gingen zwijgend heen. En als de zonne nauwlijks was verrezen, Werd in de stad reeds t' allen kant gezegd Dat het schavot dien nacht was opgerecht, En niemand zegde 't met een lachend wezen.... Er lag iet sombers over elk gelaat, En geen, - geen droeg nog doodelijken haat. Meer vrouwen dan op andre dagen togen Ter kerke heen, met neêrgeslagene oogen; En geene kleedden hunne kindren aan, Om naar de school te loopen, of zij zeiden Hun kussend en met moederlijk vermaan, Dien dag op strate niet te blijven staan; En strengelijk bevalen ze aan de meiden En aan de knechts die kindren moesten leiden, Toch niet langsheen de Groote Merkt te gaan....

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove