II.
Hun werk was af, de stelling was aaneen,
En beide mannen gingen zwijgend heen.
En als de zonne nauwlijks was verrezen,
Werd in de stad reeds t' allen kant gezegd
Dat het schavot dien nacht was opgerecht,
En niemand zegde 't met een lachend wezen....
Er lag iet sombers over elk gelaat,
En geen, - geen droeg nog doodelijken haat.
Meer vrouwen dan op andre dagen togen
Ter kerke heen, met neêrgeslagene oogen;
En geene kleedden hunne kindren aan,
Om naar de school te loopen, of zij zeiden
Hun kussend en met moederlijk vermaan,
Dien dag op strate niet te blijven staan;
En strengelijk bevalen ze aan de meiden
En aan de knechts die kindren moesten leiden,
Toch niet langsheen de Groote Merkt te gaan....