Skip to content
1865

Drie menschen van in de wieg tot in het graf

Julius Geyter

X.

‘Welaan, zoo spreekt!’ was alles wat hij zeide. Hij richtte haar niet op, maar stapte weêr, Het voorhoofd fronsend, traagzaam op en neêr. Zij wederhield de tranen die zij schreide, En met het hoofd gezonken in de hand, Verhaalde zij 't geheim van hare schand. Zij legde hem beschaamd en stil voor oogen Hoe hare jeugd op feesten was vervlogen; Hoe ze in de hoofdstad als het puik geroemd, Ten Hove zelf Schoone Emma werd genoemd. Zij was toen nog een kind; heur herte gloeide En joeg haar tot die feesten, waar de rei Der adelijke vleiers om haar stoeide

Als om de roos de vlinders in de Mei. Een zwoer haar liefde met geheiligde eeden; Zij had, eilaas! toen geene moeder meer; Zij kon, zij dorst niet twijflen aan zijne eer, En niemand, niemand waakte op hare schreden. Het was te laat wanneer heur vader sprak: ‘Mijn kind, blijft kuisch; - ziet mijne grijze haren!’ Hij die in haar het liefdevuur ontstak, Had haar onteerd en was toen heengevaren. Zij bleef alleen, alleen met haren rouw, Zij, nog een kind, die moeder worden zou. O! hadde toen in Brussel ééne vrouw Gehoord hoe diep ze in schande was gezonken, Wat hadde 't nieuws door gansch de stad geklonken! Dan was het dat Graaf Thorveld, met de vlam Der liefde in 't hert, aan hare voeten kwam. ‘Gij weet, zegt zij, wat gij de jonge Blonde Al zwoert, en of zij u verstooten konde....’ Hij sloeg den blik ten gronde bij dat woord, En stiller, trager nog voer Emma voort: ‘Dan, Graaf, dan heeft mijn vader u geschreven Dat hij met mij op reis zich ging begeven.... 't Was hier, slechts hier, dat hij me in stilte bracht. Eenieder dacht, wij waren verre henen,

En 'k zat op mijne kamer hier te weenen Tot - Groote God, verleent mij nieuwe kracht! 't Was nacht, en wat mij al is overkomen, Geheugt mij slechts als onbepaalde droomen. Des morgends kwam ik tot bewoud, en wat Ik éénigs kon, was om mijn kind te vragen. Mijn vader, o! was bleek, en zegde dat Ik 't leven er aan twee geschonken had, Aan twee die hij reeds weg had laten dragen. Ach! hadde men het leven mij ontrukt! Ik heb hen nooit gezien in mijne smerte, Nooit eenen zoen op hunnen mond gedrukt. Dat, dat was de eerste wroeging in mijn herte!

En ik genas. En toen werd mij verteld Dat onze knecht hen moest te vinden leggen, En naast elk kind een' volle beurze geld. Meer durfde men mij van den knecht niet zeggen: Hij kwam niet weêr, het geld had hem bekoord.... Niets, niets meer is van Koenraad sinds gehoord, Ook niets van mijne kinderen gebleken. Het eene moet van koude zijn bezweken, Want daags nadien zeî 't Nieuwsblad dat een pas

Geboren knaapje dood gevonden was. - Moog' zijne ziel ten hemel zijn gevaren! - Maar 't ander, maar mijn meisjen?.... Achttien jaren Draagt zij nu reeds een ongelukkig lot, Wellicht verdrukt, gemarteld en bespot, Misschien onteerd en mij vervloekend! - God! Gij die zoo lang mij tranen ziet vergieten, Laat mij ter boet van smerte gansch vervlieten, Maer hoedt mijn kind in zuiverheid en eer! Of zoo 't in schande leeft, geeft mij het weêr: In mijne tranen zal ik 't wasschen, Heer! -

En nu, Graaf Thorveld, weet gij alles; weet, Toen ik met u verheugd uit Rome reed, Waarom een mes mijn hert scheen door te snijden, Wanneer ik zag wat vondelingen lijden. Nu weet gij ook waarom het mij geen troost, Maar pijn was, pijn, de kinders te bejegenen Der jonge gastvrouw: - ik gaf u geen kroost; God kon de ontaarde moeder niet meer zegenen! Ik heb nochtans u innig lief gehad.... Daarom belooft mij, Ulrich, vóór mijn sterven,

Zoo gij mijn kind moogt wedervinden, dat Gij mij van haar vergiffnis zult verwerven....’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie menschen van in de wieg tot in het graf · Julius Geyter · Poetry Cove