VIII.
De laatste wil der veege was beschreven;
Niel keerde huiswaarts met het testament.
De doktor kwam en zegde dat ze omtrent
Den avond deze wereld zou begeven.
Dat gaan en komen trof de droeve wees
Ten laatste toch met achterdocht en vrees.
Zij sprak het eerst de dienstmeid aan, gedreven
Door een gevoel dat haar geheel deed beven;
Dan Vromen, dan ook Vredecus, die gram,
Vol heilge strengheid, bij den arm ze nam,
En zegde dat hare onbezonnenheden
Hare eedle moei nu pijnlijk lijden deden.
Zij vouwde hare handen in elkaâr
En bad hem zoo: ‘O! laat mij eens bij haar!’
Hij merkte wel dat ze alles zoude pogen
Om aan het ziekbed harer moei te mogen,
En zeî dat, schoon de doktor het verbood,
Ze er bij zou mogen, als de vlaag der droomen,
Die de ijlkoorts nu juist weêr had op doen komen,
Zou over zijn, en zij wat rust genoot.
Zij kermde om haar toch gauw te mogen spreken.
Hij zag al meer, zoo hij de zaaldeur sloot,
Dat zij wellicht die open zoude breken,
Om hare moei vergiffenis te smeeken.